logo

Preek van de week
Harry Donga, 18 juli 2010

Oude Lutherse Kerk


Lieve mensen, dit is een afbeelding van het door de kunstenaar-schrijver Jan Wolkers gemaakte Auschwitzmonument in het Wertheimpark hier in Amsterdam. Het is het monument voor de miljoenen slachtoffers van de Jodenvervolging, de Holocaust. Eén van de titels van dit monument luidt: de hemel aan scherven. Het is ook het thema van deze diensten met dit verschil dat wij er een vraagteken achter hebben gezet en je bij het Auschwitzmonument er gerust vele uitroeptekens achter zou kunnen plaatsen. In de op de grond liggende gebarsten spiegels weerkaatsen de wolkenluchten van de hemel. Als je in gedachtenis bij dit monument staat dan kan het niet anders dan dat grote vragen bij je opkomen. De vragen van gerechtigheid en van dood en leven die door de verschrikkingen van de kampen worden opgeroepen. De getuigenissen van de mensen die de vernietigingskampen hebben overleefd spreken wat dat betreft boekdelen. Ze verhalen over de onmenselijke tragedie die daar plaats had en van de zoektocht naar God en zijn gerechtigheid. Ook in de theologie zijn de vragen, na Auschwitz, niet meer dezelfde. Wat kan je nog geloven? Bestaat er wel een God, een hemel, is er wel gerechtigheid? Dat sommigen tot een hartgrondig nee komen, is wel te begrijpen. Anderen zochten naar andere verklaringen, bleven ook speuren naar God en Gods hand en Gods oordeel. Onnavolgbaar heeft Jan Wolkers dat drama en die vragen verstaan. De spiegels rusten op de aarde. De aarde die de as en het stof van de vergane lichamen heeft ontvangen. Maar in de spiegels zie je de hemel. Ja er lopen barsten door, dat wel. Want, is er wel iets in dit leven dat geen scheuren en hiaten vertoont? Wie van ons komt er niet gehavend uit het leven. Als je je vooroverbuigt en je in de spiegels kijkt, zie je ook jezelf door de barsten heen. En áls we ons vooroverbuigen worden we met huid en haar betrokken bij deze grote vragen van wat leven is  én dood én gerechtigheid.
Gemeente, ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik denk wel eens, juist ook in deze weken waarin ik met deze themadiensten bezig ben: wat moet ik toch met de hemel? (en over welke hemel gaat het eigenlijk?) Heb ik de handen al niet vol aan de aarde. En heeft niet elke generatie dat? Aan het leven van alledag, wat soms licht en vrolijk maar dan ook weer, zwaar, somber en niet te dragen kan zijn. Wat haal ik me toch in mijn hoofd met de hemel?
Of is het anders? En gaat het niet om wat ik met de hemel heb, maar wat de hemel met mij heeft. Wat wil de hemel mij zeggen hier op aarde? Kan er sprake zijn van een hemel op aarde? Ik weet wel dat Jezus ons heeft geleerd te bidden tot God: Onze vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd, uw koninkrijk kome, uw wil geschiede gelijk in de hemel alzo ook op aarde, maar hoe kunnen we dat verstaan? Gods wil op aarde: wat is dat?

De lezingen van deze morgen brengen enige orde aan in mijn gedachten over deze zwaarwegende zaak.
De profeet Jesaja spreekt namens God over de schepping van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, die al het oude zal doen vergeten. En hoe hard hebben wij niet iets nieuws nodig als je ziet hoe het oude uit de hand gelopen is. Als God een nieuwe hemel en aarde schept, zal blijdschap allen vervullen. Niemand sterft meer voor zijn tijd, zuigeling noch oude van dagen. Ja een lang leven op aarde is als een stuk hemel op aarde. En waar je zelf voor hebt gewerkt, daar zul je ook van genieten. Steeds grotere en wonderbaarlijke lijnen worden door de profeet getrokken. Lam en leeuw doen elkaar niets en de slang, de eeuwige slang, symbool van het kwade, voedt zich met stof. Wat een prachtig beeld, wat een ongehoord visioen. De bijbelse beelden van de toekomst drukken zich meestal uit in visioenen van een paradijselijke tuin of van een neerdalende stad.
En ook het laatste bijbelboek, de openbaring van Johannes spreekt over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, de oude is voorbijgegaan. En ook hier komt het visioen van de neerdalende stad, het nieuwe Jeruzalem aan de orde. Deze stad komt uit de hemel, komt van God. Ja God zelf zal voortaan midden onder ons wonen in deze stad. Een stad van vreugde en gerechtigheid. Alle tranen zullen van de ogen gewist worden, geen rouw, geen jammer, geen pijn. Wat eerst was is voorbij. De nieuwe schepping is aangebroken. Johannes lijkt deze hemelse stad te vullen met aards geluk.
Het lijkt erop dat de bijbel ons in elk geval een hemel op aarde belooft. Dus geen hemel ver weg, maar een hemel dichtbij, rondom ons, misschien wel in ons. Maar tegelijkertijd zijn wij uiteindelijk niet in staat die hemel zelf te verwerkelijken. Hoe goed we ook ons best doen en de wereld op aarde in een hemel op aarde om proberen te toveren, we slagen nooit ten volle omdat het ons uiteindelijk gegeven moet worden. Pas als geschenk van Gods zijde is het er eens en voorgoed. Dat willen beide visioenen uit Oude en Nieuwe testament ons duidelijk maken

Er was ooit een beroemde plaat en een even bekend boek over de reis van een christenmens.

De levensreis van een mens op weg naar de hemel. Een smalle weg door een nauwe deur die veel inspanning vereist maar tenslotte in de hemel en het hemelse Jeruzalem uitkomt en een brede weg door een grote poort die bezaaid is met prettige momenten zoals een danszaal, het theater en de loterij (er was nog geen postcode- of staatsloterij)  maar je uiteindelijk het hellevuur in helpt. Dat negentiende-eeuwse moralisme lusten we nu niet meer en terecht, maar toch zit er iets in van die altijd nodige kritische blik: zijn we wel op de goede weg? Leiden alle dingen die we ondernemen ons niet af van bijvoorbeeld de liefde, het respect, de rechtvaardigheid. Houden we ons wel aan de menselijke normen, letten we wel op onze naaste en maken we ons tot stem van de stemmenloze om maar eens twee dingen te noemen. Ik denk dat de hemel zoals deze plaat ons voorschildert niet onze toekomst kan zijn. Maar de hemel op aarde, van Godswege te ontvangen, dat is wel onze toekomst. Een toekomst die elke dag opnieuw begint.
Maar als de hemel op aarde te zoeken valt, wat moeten we dan met het begrip opstanding en waar blijven onze doden dan. Vergaan ze dan eenvoudig tot stof, en is dat het dan. Over en sluiten. Stof zijt gij en tot stof zult gij weerkeren. Dat is inderdaad een zijde van het bijbelse getuigenis. Ik kan het niet ontkennen en toch is er meer. In de bijbel worden ons enkelen uitgetekend die wandelen met God. Henoch, Mozes en Elia. En uiteindelijk Jezus Christus. In het credo, de geloofsbelijdenis van de kerk, staat over de Christus dat hij ‘opgevaren ten hemel’ is. Juist het begrip ‘opstanding’ biedt ook de mogelijkheid tot een rechtvaardig oordeel over bozen en goeden. Opnieuw het credo: ‘hij is er om recht te doen aan levenden en doden’. Iets wat ons op aarde lang niet altijd lukt. Maar Hitler mag niet ontsnappen aan de rechtvaardigheid.
Er is veel voor te zeggen dat de goeden naar de hemel gaan en de kwaden naar de hel. Maar het oordeel van wie er goed en wie er kwaad is, is niet aan ons. En alle speculatie hierover brengt ons tot niets. Zoals eigenlijk ook al blijkt uit dat evangeliegedeelte waarin Jezus de vraag voorgelegd krijgt hoe het nu eigenlijk toe gaat in de opstanding. Zien we elkaar terug, herkennen we elkaar, in welke verhouding staan we tot elkaar. Het voorbeeld dat hier wordt gegeven is misschien wel lachwekkend maar het stelt de vraag wel scherp. Een man sterft, zijn vrouw blijft kinderloos achter. Volgens de Mozaïsche wet moet nu de broer van de man met haar trouwen en voor kinderen zorgen. Maar ook deze sterft voor er kinderen worden geboren. En dat herhaalt zich tot totaal zeven maal. Wie is nu in de opstanding de man van deze vrouw. Jezus antwoord is: dat er na dood en opstanding sprake is van een andere dimensie waarover je eigenlijk alleen maar in beelden kunt spreken. Eigenlijk is de samenvatting van wat hij hier in het evangelie zegt:in het aangezicht van God leven wij allemaal, doden en levenden allebei. Eigenlijk gaat er het erom om te vertrouwen dat God er altijd zal zijn voor ons, of wij nu leven of sterven. En elke zoektocht naar een hemel als een fysieke plaats waar onze doden zijn leidt tot niets.
Ik weet wel dat er heel wat mensen zijn die niet alleen geloven in een leven na de dood maar ook in een herkenning na de dood. En ook in de kerkelijke traditie zijn er velen die menen dat mensen elkaar wel terugzien maar dan niet meer in de oorspronkelijke verhoudingen. Luther dacht wel zijn vader terug te zien, maar ze zouden niet meer tot hetzelfde gezin behoren. Hoe dat dan precies was, daarop gaf Luther ook geen antwoord. Maar je hoefde niet op te zien tegen de hemel. God zou er zeker voor zorgen dat het goed was, meende Luther. En er zijn heel wat stervenden die op hun sterfbed getuigen van dingen die zij al menen te zien. En er zijn heel wat nabestaanden die daar enorm veel hoop en troost uit putten. Maar telkens weer blijkt dat het ons ontbreekt aan de woorden om weer te geven wat wij , dromen, voelen of zien. Soms zijn alleen kunstenaars in staat om dat onzegbare te verbeelden. Ik ben zelf nogal geboeid door dit eenvoudige schilderijtje van Piet Ouborg uit 1931 dat Vaarwel heet en ook wel Groeten uit de hemel kan worden genoemd.

Ergens op het snijvlak van twee werelden zweeft als het ware een organische trap en twee balusters die de H van hemel vormen en er boven een organische vorm, haast een eencellige, maar misschien in de vorm van een hart. Misschien zucht u nu, wat weten we weinig. Dat is waar, maar wellicht toch genoeg. Hij zal met ons zijn tot aan het einde van de wereldtijd. Amen